| Article Index |
|---|
| Jaaroverzicht 2007 – 2008 |
| De Armeense kwestie |
| Van laster tot terroristische propaganda |
| De Koerdische kwestie |
| Aanklachten tegen journalisten |
| All Pages |
De Armeense kwestie
Door de aanklacht tegen Orhan Pamuk, die op 12 oktober 2006 de Nobelprijs voor de Literatuur won, stond de vrijheid van meningsuiting in Turkije wereldwijd in de aandacht. Pamuk was aangeklaagd vanwege een interview dat hij op 5 februari 2005 over de ‘Armeense kwestie’ gaf aan het Zwitserse dagblad Tages Anzeiger. “Er zijn 30.000 Koerden en één miljoen Armeniërs vermoord. Vrijwel niemand durft dit openlijk uit te spreken, daarom doe ik het. En dat is waarom ik door veel mensen wordt gehaat.” Omdat Pamuk deze uitspraken deed voordat artikel 301 geïntroduceerd werd, werd hij op basis van artikel 159 aangeklaagd. Toen de rechtbank aan het ministerie van Justitie toestemming vroeg tot rechtsvervolging over te gaan, werd dit afgewezen omdat de rechtbank niet bevoegd zou zijn.
Amnesty International stelt dat dit exemplarisch is voor tal van rechtszaken die op basis van artikel 301 zijn geopend. Dit wijst volgens haar op een strategie van de autoriteiten om te voorkomen dat zij door gerechtelijke uitspraken in verlegenheid worden gebracht. ‘Dat deze aanklachten zelden leiden tot gevangenisstraffen, maar veel vaker tot hoge geldboetes, vrijspraak of het seponeren van rechtszaken is een schrale troost. Het voortdurend aanspannen van juridische procedures wordt zo ingezet als een vorm van intimidatie. Artikel 301 is bedoeld om kritische stemmen te laten verstommen.’
Bovendien is artikel 301 strijdig met internationale verdragen. Het recht op de vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in de Europese Conventie over Burgerlijke en Politieke Rechten (ICCPR), waaraan Turkije deelneemt. Dit verplicht de autoriteiten ervoor te waken dat de vrijheid van meningsuiting en pers zijn gewaarborgd. Desondanks groeit het aantal rechtszaken tegen burgers, onder wie schrijvers, publicisten en mensenrechtenactivisten.